Verzet en verraad

Jacob Luitjens, de schrik van Roden





Jacob 'Jaap' Luitjens is tijdens de oorlog een Nederlandse collaborateur. Hij heeft als bijnaam ‘De schrik van Roden’ en is ook in die omgeving vooral actief.

Jacob Luitjens wordt op 18 april 1919 in Buitenzorg in het toenmalige Nederlands-Indië geboren als zoon van veearts Steven Luitjens. In de jaren dertig vestigt de familie zich in Roden. Zijn vader wordt net als veel arme streekgenoten lid van de NSB. Ook zijn vijf kinderen moeten eraan geloven en lezen thuis plichtsgetrouw het NSB-blad Volk en Vaderland. Tal van kleine boertjes en middenstanders worden overgehaald lid van de NSB te worden. Jacob is net zo fanatiek als zijn vader. Voor de oorlog studeert Jacob diergeneeskunde in Utrecht, maar hij kan door een geboorteafwijking (een soort 'softenon-armpje') zijn studie niet afmaken. Daarop gaat hij rechten studeren, haalt het kandidaatsexamen en wordt lid van het Studentenfront van de NSB en manifesteert zich voor de oorlog al als een fanatieke NSB'er die anderen actief voor de beweging probeert te winnen. Als er geen colleges meer worden gegeven, keert hij naar Roden terug.

Zijn vader gedraagt zich daar als een harde, ontevreden en ook wrede man. Tijdens de zuivelstaking in 1943, als boeren weigerden melk af te leveren aan de Duitsers, ziet hij een jongen op één van de karren meehelpen de melkbussen er af te gooien. Steven Luitjens rijdt in zijn Dodge rechtstreeks naar het gemeentehuis en laat de SD in Groningen waarschuwen. Als zoon Tiemen de overvalwagen op 3 mei ziet aankomen, rent hij weg, maar wordt door een kogel dodelijk geraakt. Ambtenaar Jan Kemkers had vanuit de auto de Duitsers de jongen aangewezen. Een paar uur later slepen de Duitsers het stuiptrekkende lichaam van de 20-jarige Tiemen van Bergen voor de deur van zijn ouderlijk huis in Steenbergen langs. De moeder mag er nog even naar kijken. Jan Kemkers en Steven Luitjens worden na de oorlog tot celstraffen veroordeeld. Het huis van de familie Luitjens op de weg naar Groningen, bestaat niet meer. Het is nu een fabrieksterrein.



In 1944 werd Jacob lid van de Landwacht, nadat hij al eerder geprobeerd heeft de SS te komen. Daar wordt hij echter wegens de gebrekkige hand afgewezen. Zijn optreden als landwachter bezorgt hem de bijnaam. Vele onderduikers en verzetsstrijders spoort hij op.

Zo bezorgt Luitjens in het najaar van 1944 de 'stadjers' Wolter Wolthuis en Hilko Kerkhof de schrik van hun leven. De twee Groningers willen niet in Duitsland werken en hebben zich op het Leekstermeer verborgen in een kajuitbootje. De andere bootjes langs de oever zijn ook al wekenlang in gebruik: allemaal mannen uit de stad die er net zo over denken als Wolthuis en Kerkhof. In de zeer vroege en donkere ochtend van 12 oktober 1944 is er plotseling lawaai, geschreeuw op de walkant. Bang en rillerig steken de onderduikers hun hoofd uit de kajuit en zien 34 Landwachters tegenover zich. Een aantal draagt een lange zwarte jas met rode armband, jachtgeweer in de aanslag; anderen hebben een burgerpak aan. Slechts een enkeling draagt een grijsgroen uniform, zoals Jaap Luitjens. Hij heeft geen jachtgeweer maar een modern automatisch wapen en afgaande op zijn houding, op de bevelen die hij geeft, trekken Wolthuis en Kerkhof de conclusie dat hij de actie leidt.

Alle onderduikers worden - op de fiets - afgevoerd naar het hoofdkwartier van de Sicherheits Dienst in Groningen. Ze worden op transport gesteld.Onderweg naar Groningen doet zich nog een incident voor, dat Luitjens bij zijn proces in september 1948 als één van de meer ernstige feiten ten laste wordt gelegd. Als de vijf Landwachters en hun slachtoffers door de stad fietsen, onderneemt één van de mannen (Hennie Jansen) een vluchtpoging. De anderen zien Luitjens er op hoge snelheid achteraan gaan, al roepend: 'Schiessen, schiessen'. Als hij bij het ploegje terugkeert, horen ze hem zeggen: 'Zo, die weet wat er van komt als je probeert te ontsnappen. Hij is gelukkig dood'. Maar of Luitjens deze 25-jarige Hendrik Jan Janssen, een medewerker van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers op 12 oktober 1944 in Groningen heeft gedood, is nooit bewezen. Volgens Justitie is Hennie door een Duitse soldaat neergeschoten.

Deserteur Walter Körber

Hendrik de Vries is in maart 1945 getuige van de moord op de 33-jarige Duitse deserteur Walter Körber. Hij ziet de man zigzag door het land rennen. Achter hem aan Jacob (Jaap) Luitjens met een machinepistool. ‘De man smeet een pistool op de grond, draaide zich om en stak de handen omhoog. En meteen schoot Jaap hem van een afstand van 25 meter dwars door het hoofd. Dat vergeet ik nooit.’ (Op de foto wijst De Vries de plek in 1983 aan). Ook Hilda Koning ziet vanuit haar ziekbed Luitjens de Duitse deserteur met een geweer door de weilanden achtervolgen. De wanhopige Duitser smeekt een langsrijdende fietser nog vergeefs om zijn rijwiel. Luitjens schiet de man volgens De Vries met een automatisch wapen van dichtbij door het hoofd. Op de overlijdensakte vult de dorpsarts in dat Körber zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij zegt echter tegen getuigen die er vast van overtuigd zijn dat Luitjens Körber heeft doodgeschoten: 'Zwijg maar, onze tijd komt nog wel'.

De hoofdofficier van justitie in Oldenburg wil weten hoe het zit en laat Korber in 1987 in Ysselsteyn opgraven. Het gerechtelijk laboratorium in Rijswijk stelt in 1988 dat de Duitser zelfmoord heeft gepleegd, wat niet uitsluit dat Luitjens ook nog schoot. Maar het is wel raar dat ook verklaard is dat de Duitsers zijn pistool weggooide en zijn handen in de lucht stak. In ieder geval ziet de Duitse justitie nu geen reden om uitlevering van Luitjens te vragen. Het lot van twee andere opgepakte mannen en een vrouw, die samen met Walter Körber waren, is onbekend. De Duitser wordt op 5 maart in Roden begraven en in 1958 naar de Duitse begraafplaats in IJsselstein gebracht.
Direct na de bevrijding geeft hij zich aan bij de politie, om represailles van het verzet te voorkomen. Hij belandt via Veenhuizen op 5 mei 1945 in Westerbork. Volgens zijn eigen verklaringen wordt hij in Westerbork ernstig mishandeld. In kamp Westerbork loopt hij zijn zwager de doopsgezinde predikant Jan Sjouke Postma tegen het lijf, in 1944 nog heel even waarnemend NSB-burgemeester van Meppel. In de winter van 1946 weet hij met Postma te ontsnappen. Ze zouden een kampbewaker wat sigarettenbonnen hebben gegeven. Luitjens weet de Duitse grens over te komen en vindt toevlucht in een Mennonitenlager in Gronau, een opvangkamp van Russische mennonieten, christenen die in Nederland doopsgezinden worden genoemd.

Een deel van deze mennonieten emigreert na de Russische revolutie van 1917 naar de Verenigde Staten, Canada en naar Zuid-Amerika, waar onder andere in Paraguay een aantal doopsgezinde landbouwkolonies wordt gesticht. De rest van de mennonieten, die in Rusland bleven, slaan in '44/'45 voor het grootste deel alsnog op de vlucht. Ze komen in Duitsland terecht en gaan vandaar op zoek naar een nieuw vaderland. Hoewel Luitjens uit een doopsgezinde familie komt, is hij aanvankelijk zelf niet doopsgezind. Net als zijn vader ziet hij meer heil in de nazi-ideologie dan in het christendom, terwijl andere familieleden juist menen dat christendom en nationaal-socialisme, vooral door het gemeenschapsgevoel daarin, best te verenigen zijn. Onder doopsgezinden heeft iedereen volstrekte keuze-vrijheid.



Met valse papieren kloppen Luitjens en Postma aan bij het 'Mennonite Central Committee', de Amerikaanse doopsgezinde hulporganisatie die in 1945 in Frankfurt aan de Main een hulpkantoor voor vluchtelingen had geopend. In 1947 gaat Luitjens als Gerhardt Harder per trein naar Bremerhaven en dan met 2305 passagiers aan boord van de Volendam. Die vertrekt op 1 februari voor de oversteek naar Zuid-Amerika. Op 22 februari komt het schip met ook Postma aan in Argentinië en vandaar naar Paraguay. Luitjens trouwt met Olga klassen, een dochter van de boswachter Peter Klassen (auteur van het boek 'Bei uns im alten Russland).

Postma werkt in Paraguay als predikant en leraar bij de Mennonietenkolonie Philadelphia, waar Luitjens ook is. Daar wordt Luitjens ten slotte toch belijdend lid van de doopsgezinde gemeenschap, nadat hij naar verluidt eerst schuld heeft beleden voor zijn verkeerde gedrag tijdens en na de oorlog. Tegenover de vergevingsgezinde gemeenschap bekent de gewaardeerde leraar enkele jaren na aankomst dat hij onder valse naam leeft en vanaf die tijd heet hij weer gewoon Jaap Luitjens. Postma meldt zich in 1957 bij de Nederlandse justitie. Na drie weken Veenhuizen komt hij weer vrij. Op 11 april 1957 krijgt hij gratie, nadat hij in tien jaar eerder in hoger beoep tot een jaar cel was veroordeeld. Hij overlijdt in 1995 in Appelscha.

Luitjens wordt op 10 september 1948 bij verstek tot levenslange gevangenisstraf voor heel vaag geformuleerd, 'hulpverlening aan de vijand'. Dus niet voor een aandeel in de dood van Walter Körber en Hendrik Jan Jansen. Bij het vonnis van Luitjens kan een rol hebben gespeeld dat hij niet op de zitting is verschenen. Om te voorkomen dat zo iemand zijn straf zou ontlopen werd dan een flink aantal jaren gevangenisstraf of levenslang gevonnist.

Naar Canada

In 1961 emigreert hij naar Canada, dat hem een betere toekomst kan bieden. Via het Nederlandse consulaat in de Paraguyaanse hoofdstad Asunción vraagt hij Canadese immigratiepapieren aan (foto aanvraag). Hoewel hij door zijn familie allang op de hoogte is van de hem opgelegde straf, verzwijgt hij die bij zijn immigratieaanvraag. Met hulp van een doopsgezinde relatie bij de gemeentesecretarie van Roden, die hem de benodigde papieren uit de burgerlijke stand doet toekomen, lukt het hem om Canada binnen te komen. Hij krijgt in 1971 de Canadese nationaliteit en sluit zich opnieuw aan bij de doopsgezinde gemeenschap, die hem weer de hand boven het hoofd houdt. In Vancouver, Brits-Columbia, bouwt hij een bestaan op als lector in de plantkunde en hoogleraar en botanicus op de universiteit van Vancouver (foto in Canada in 1982).


Luitjens 18 maart 1983 bij zijn voordeur in Canada.

In de jaren tachtig brengt de Friese rechtbankverslaggever Jack Kooistra zijn verblijfplaats aan het licht. 'Ooit interviewde ik voor de sportpagina’s de doopsgezinde predikant Jan Postma, die voorzitter was van de voetbalclub in Stavoren. Postma vertelde terloops dat hij eind jaren veertig samen met een zwager naar Zuid- Amerika was gegaan. Hij zei erbij dat zijn zwager later hoogleraar biologie was geworden in Vancouver. Ik sloeg er toen geen acht op, maar kort daarna bezocht ik samen met Jelte Mulder een dorpscafé in Roden in verband met onze zoektocht naar Luitjens. Daar wisten ze ons te vertellen dat Luitjens’ zwager dominee was. Toen ik de naam Postma hoorde, gingen alle alarmbellen rinkelen.'

Een uitleveringsverzoek aan Canada leidt aanvankelijk tot niets. In 1988 start de Canadese justitie toch een eigen zaak tegen 'Gerhard Harder' als blijkt bleek dat het land al decennia een vrijplaats is voor oorlogsmisdadigers, en dat roept veel (internationaal) protest op. Van de ongeveer 3000 oorlogsmisdadigers in Canada zijn dan al 1000 overleden. Luitjens wordt gezien als een kleine vis, maar hij heeft met een verkeerde voorstelling van zaken en dus op oneigenlijke gronden het staatsburgerschap gekregen. Het kost miljoenen dollars om een team van aanklagers het onderzoek te laten doen. Ze reizen de halve aardbol over om getuigen te horen, alleen in Nederland al achttien. In 1992 ontneemt Canada Luitjens de Canadese nationaliteit en wordt hij, toch nog onverwacht, op het vliegtuig naar Nederland gezet om zijn straf uit te zitten.

De uitlevering van Luitjens vloeit voort uit het hernieuwde activisme van de Nederlandse justitie waar het de opsporing en vervolging van oorlogsmisdadigers en landverraders betreft. Aanleiding voor dit hernieuwde activisme is de ontmaskering in 1976 door de journalist H. Knoop van de Nederlandse collaborateur Pieter Menten. Deze Blaricumse kunsthandelaar is als SS-Hauptscharführer in bezet Polen betrokken bij massa-executies op ongeveer duizend Joden en communisten. De 'zaak-Menten' leidt tot veel kritiek op de blijkbaar wel heel lakse houding die justitie in de naoorlogse jaren had aangenomen.

Onderweg naar Nederland, moet in Londen in 1992 worden overgestapt op een ander vliegtuig.

Celstraf van 28 maanden

Luitjens zijn broer Pieter - in 1947 veroordeeld tot vier jaar cel vanwege zijn rol bij de landwacht vanaf september 1944 - verzoekt vergeefs om gratie. 'Ik mag als mens, toch wel voor een ander mens, in dit geval mijn broer, opkomen?' Voor de rechtbank in Assen probeert Luitjens zijn opsluiting te voorkomen. Hij zou niet van de veroordeling hebben geweten. Ook dit verzet levert niets op. Hij wordt onder enorme aandacht van de media door de rechtbank in Assen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden. Begin 1993 vraagt Luitjens vanuit de gevangenis in Groningen om strafvermindering. Dat wordt gehonoreerd vanwege zijn hoge leeftijd, maar ook wegens zijn “correcte levenswandel na zijn ontvluchting” en zijn “gewijzigde opvattingen”. In vergelijkbare zaken wordt ook strafvermindering toegekend (foto aankomst bij rechtbank).

In maart 1995 komt Luitjens weer vrij. Hij mag van de Canadese regering niet meer terugkeren naar zijn vrouw en drie kinderen in Canada en is dan dus stateloos, zonder recht op uitkeringen. 'Dat zijn gezin uit elkaar is gehaald is een bijkomende straf', zegt zijn broer in 1992. Luitjens moet zich regelmatig melden bij de vreemdelingenpolitie. Na 1995 is niets meer van hem vernomen, al meldt Jack Kooistra dat Luitjens een zwervend bestaan leidt, inwonend bij familieleden in Lemmer of Bloemendaal. Zijn broer Pieter Luitjens in Lemmer overlijdt in juli 2015. Door een bron bij de landelijke recherche wordt in januari 2017 gemeld dat Jacob Luitjens nog leeft en in Nederland verblijft.

Gearresteerd op Schiphol in november 1992

Janna Postma (1945), nicht van Luitjens en predikant in Den Haag, schrijft in 2008 op een website over haar bezoek aan haar oom in het Huis van Bewaring in Groningen: ‘Mijn oom ontving mij in een spreekkamer. Ik keek naar zijn mismaakte arm en naar de andere, sterke, en herinnerde mij hoe hij mij en mijn zusje daarmee rondslingerde, in Paraguay, toen we nog klein waren. Hij vertelde dat een kwart van alles waarvoor hij veroordeeld was terecht was. Persoonlijk had hij niemand gedood, zei hij. Omdat hij gevlucht was, had hij de schuld van anderen op zich genomen. Maar het was waar: hij had mensen opgepakt, verzetsstrijders. Geen Joden, nee. "Dat was onze taak niet. Dat deed de politie toch?" Nee, die concentratiekampen, dat had hij nooit kunnen geloven. Hij wist dat het waar was, maar het voelde niet zo. Als ze hem ernaar vroegen in Canada zei hij:” Het is onvoorstelbaar, maar het is zo gebeurd.”  ‘